Ken je dat? Als je eenmaal de pijl in het logo van FedEx hebt gezien, kun je hem niet meer ‘ont-zien’. Precies dat had ik op een gegeven moment met de websites van veel sportclubs.

Vanuit mijn (vrijwilligers)werk als webmaster van vv d’Olde Veste ’54 zag ik steeds vaker dat sportclubs en verenigingen voor hun dagelijkse communicatie massaal naar social media trekken. Op zich begrijpelijk, want daar zit een groot deel van hun achterban. Maar ondertussen raakt hun misschien wel belangrijkste digitale bezit, de eigen website, steeds verder op de achtergrond.
Omdat we bij Olde Veste iedere week een voorbeschouwing maken van de wedstrijd van onze eerste selectie, kijk ik ook wekelijks op de website van de tegenstander. Na afloop doe ik hetzelfde: heeft de andere club nog iets over de wedstrijd geschreven waar ik iets aan heb voor mijn eigen wedstrijdverslag?
Daardoor heb ik de afgelopen jaren nogal wat voetbalwebsites voorbij zien komen.
En steeds vaker gebeurde hetzelfde. De informatie die ik zocht stond niet op de website. Dus op naar Instagram. Of Facebook. Eerst die accounts maar eens vinden, want die bleken lang niet altijd op de website te staan. Soms vond ik een oud Twitter-account, soms een Facebookpagina waar al tijden niets meer gebeurde en soms moest ik via Google uitzoeken waar de club überhaupt actief was.
Het begon me op te vallen. En als je het eenmaal ziet, kun je het dus niet meer ont-zien.
Ik besloot er een boek over te schrijven.
Dat klinkt achteraf heel doelgericht, maar zo begon het natuurlijk niet. Eerst waren het vooral losse kreten en gedachten. Een spraakberichtje aan mezelf als me onderweg iets te binnenschoot. Een appje, een mailtje, een los briefje met een voorbeeld erop. Alles wat ik tegenkwam en waarvan ik dacht: hier zit iets in.
Langzaam begonnen al die losse kreten en gedachten bij elkaar te horen. Het ene bleek te gaan over verantwoordelijkheid, het andere over social media en weer iets anders over beheer of actualiteit. Voor ik het wist, had ik geen verzameling losse notities meer, maar de eerste hoofdstukken van een boek.
In mijn hoofd was ik er namelijk al een jaar of twee mee bezig. Veel van de inhoud hoefde ik niet meer te bedenken, ik moest het vooral nog ordenen. Gedachten, voorbeelden en frustraties op de juiste plek zetten en er een logisch verhaal van maken.
Het resultaat werd Dag clubwebsite, een boek met vooral één doel: bewustwording.
Niet met het vingertje wijzen naar vrijwilligers die vaak al veel te veel doen. Integendeel. Meer vanuit de gedachte: ik zie iets gebeuren, zien jullie het ook?
Want pas als een bestuur of vereniging ziet wat er gebeurt, kan er ook een bewuste keuze worden gemaakt. Misschien zegt een club: prima, wij kiezen ervoor om vooral via social media te communiceren en de website minder belangrijk te maken. Ook goed. Maar dan is het in ieder geval een keuze.
Nu gebeurt het vaak ongemerkt.
En voor je het weet kom je er pas achter als de website zo ver achterloopt dat opknappen bijna meer werk is dan opnieuw beginnen.
De laatste vijf procent
Een boek schrijven lijkt trouwens verrassend veel op een bedrijf beginnen of een ander idee daadwerkelijk uitvoeren.
De eerste negentig procent gaat eigenlijk best lekker. Je hebt energie, ideeën genoeg en ziet het steeds verder groeien. De volgende vijf procent wordt flink doorwerken.
En die laatste vijf procent?
Verschrikkelijk.
Bij mij viel vooral het maken van het e-book in die categorie. Zo erg zelfs dat ik het er eigenlijk liever niet meer over wil hebben. Wat een drama.
Iets met HTML-code, vreemde bugs in Apple Books en eindeloos nieuwe versies maken, testen, aanpassen en opnieuw testen. Iedere keer dacht ik: nu is hij goed.
Niet dus.
Maar uiteindelijk was ook dat klaar.
En toen stond er ineens een doos
Op een gegeven moment kwam de pakketdienst.
Een doos.
Daarin lagen 25 proefexemplaren van mijn eigen boek.
Ik had weleens filmpjes gezien van schrijvers die voor het eerst hun eigen boek uit een doos halen. Dat leek me altijd een beetje overdreven. Maar ik kan je inmiddels vertellen: het ís echt een bijzonder moment.
Je hebt maanden naar teksten, PDF’s, proefdrukken en beeldschermen zitten kijken en ineens ligt datzelfde verhaal als echt boek in je handen.
De geboorte van een schrijver, zou je bijna kunnen zeggen.
En als je een beetje bent bijgekomen van die euforie, begint het volgende probleem: mensen moeten ook nog weten dat het boek bestaat.
Laat het boek maar het werk doen
Eerlijk gezegd had ik tijdens het schrijven nauwelijks nagedacht over wat er daarna moest gebeuren. Ik was vooral bezig met het boek zelf, niet met de vraag hoe ik het straks onder de aandacht moest brengen.
En dat is voor mij misschien nog wel ingewikkelder dan het schrijven zelf. Ik sta namelijk niet zo graag op de voorgrond. Ik zet liever andere mensen in de spotlights dan mezelf.
Dus besloot ik ook bij de promotie dicht bij mezelf te blijven.
Ik ga niet ineens allerlei socialmedia-accounts aanmaken om vervolgens overal te roepen: kijk mij eens, ik heb een boek geschreven. Instagram heb ik niet en ik heb sowieso een haat-liefdeverhouding met LinkedIn, heb daar nog nooit iets gepost en ik ben niet van plan om voor dit boek ineens een ander mens te worden.
Een persbericht lukt nog net. Dat voelt voor mij nog als een normale manier om te vertellen dat het boek er is, zonder mezelf ineens overal op de voorgrond te hoeven zetten.
En eerlijk gezegd: that’s it. Laat het boek daarna maar zoveel mogelijk voor zichzelf spreken.
Als het onderwerp herkenbaar genoeg is, komt het vanzelf wel bij verenigingen terecht. En als het vervolgens in bestuurskamers op tafel belandt en daar een gesprek op gang brengt, dan heeft het precies gedaan waarvoor ik het geschreven heb.
Ik ben daarom vooral benieuwd naar de impact van de boodschap achter het boek.
Gaan clubs anders naar hun eigen website kijken? Ontstaat er discussie? Wordt er ergens besloten om het toch anders te gaan doen?
Geen idee.
Maar juist dat maakt het interessant.
Wordt vervolgd.
